Vertrouwen in het geweldsmonopolie
‘In de zaak van Moravia Ramsahai die in 1998 tijdens zijn aanhouding dodelijk werd geraakt door een politiekogel, komt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens tot de conclusie dat er sprake is van een procedurele schending van art. 2 EVRM (recht op bescherming van het leven) omdat het onderzoek naar het dodelijk schot door de Rijksrecherche en het locale politiekorps onvoldoende effectief is geweest, zowel wat betreft de adequaatheid als de onafhankelijkheid daarvan. Het Hof hanteert daarbij het principiële uitgangspunt dat de effectiviteit van het onderzoek niet afhankelijk mag zijn van de uiteindelijke vaststelling of het geweldgebruik al dan niet een schending van art. 2 oplevert. Dat het Hof unaniem van oordeel is dat een materiële schending van art. 2 EVRM niet aan de orde is omdat het schot absoluut noodzakelijk was, staat aan een eventuele procedurele schending dus niet in de weg. Als het gaat om het vertrouwen in het geweldsmonopolie ligt de lat dus hoog.
Het goede nieuws is dat de Grote Kamer – anders dan de Derde Sectie op 10 november 2005 – tot de conclusie komt dat de art. 12 Sv-procedure bij het gerechtshof voldoende publiekelijk kan worden gecontroleerd en dat de art. 12-beschikking niet behoeft te worden gepubliceerd. De Nederlandse wetgever komt op dit punt dus met schrik vrij.’






